Over loslaten, geloof en onafgemaakte rouw
Mevrouw V. D., 93 jaar, wordt opgenomen in het ziekenhuis vanwege acuut nierfalen. Ze woont alleen. Haar twee zoons zijn overleden; met haar schoondochters en kleinkinderen is nauwelijks nog contact. Gelukkig ontvangt ze regelmatige bezoekjes van gemeenteleden uit haar kerk en heeft ze een formele mantelzorger.
Hoewel haar lichamelijke achteruitgang snel gaat, wil mevrouw niet stoppen met mogelijke behandelingen.
Dat dialyse geen optie meer is, accepteert ze met moeite. Ook comfortmedicatie wijst ze af. In het dossier staat: “vanwege haar geloof”. Zelf verwoordt ze het zo: “God bepaalt over leven en dood, en wanneer ik sterven ga.”
Wanneer haar toestand verder verslechtert, vraagt ze om een gesprek. Ik verwacht een gesprek waarin de keuze wel of niet behandelen centraal zal staan. Mevrouw had namelijk eerder aangegeven dat de verstoorde familieband voor haar geen obstakel meer vormde; ze had “alles gedaan wat ze kon”. Volgens de verpleegkundige kon ze het leven echter niet goed loslaten.
In ons contact wordt duidelijk dat de schoondochters definitief uit beeld zijn – en dat dit haar nog steeds diep raakt.
Steeds herhaalt ze: “Ik heb gedaan wat ik kon.” Ze vertelt hoe ze eens een steentje op het graf van haar zoon had gelegd en het de volgende dag in haar eigen brievenbus terugvond. Haar rouw mocht er letterlijk niet zijn.
Het werd me helder dat ze dit steentje nog altijd met zich meedroeg, als ballast, als pijn die nooit werd erkend.
Er lagen nog losse eindjes. Rafels. Wat haar te doen stond, leek te liggen in de richting van schoon schip maken , of misschien in de buurt van vergeving. En zoals Carlo Leget zo treffend beschrijft: vergeven en vergeten maakt steeds vaker plaats voor herinneren en vergeten.
Vergeving kun je immers niet van een ander vragen. Maar wat kun je jezelf nog gunnen, wanneer de tijd kort wordt?
Omdat ik haar wilde helpen iets meer ruimte te vinden om los te laten, vroeg ik wat zij zichzelf wenste.
“Rustig inslapen,” zei ze.
Ik wenste haar vrede. Een vredig hart voor iedereen die ze in haar leven had ontmoet, in het goede en in het moeilijke.
“Ik hoop dat er een hemel is,” zei ze even later.
En toen, bijna fluisterend: “Hoopt u dat ook?”
Dat waren haar laatste woorden.
Reactie plaatsen
Reacties